Contact:

    Bazuinpad 7,

    3845 DX HARDERWIJK

    T: 0341423127

    M: 0651111299

    E: stichting@teeifuka.nl

    Giro: 9697935

    KVK: 08120461

    Opgericht: 09-12-2003


   Online Donatie


    Actualiteiten

    Organisatie

    Projecten

    Stichtingsplan 2010

    De Marrons

    De Indianen

    Het Binnenland

    Suriname algemeen

    Nieuwsberichten

    Columns en Analyses

    Fotocollages

    Video beelden

    Audio berichten

    Promotie

    Bestuur van Teeifuka

    Teeifuka Algemeen

55     Surinaams eten

    Toerisme en Reizen

    De jaren tachtig

    Projectverslagen

    Stichtingsdocumenten

    Teeifuka in de Media

    Kaart van Suriname


    SPREUKEN

    GASTENBOEK

    TEEIFUKALINKS

Organisatie  Marrons  Indianen  Stichtingsplan  Actueel  Nieuws  Promotie  Columns  Fotocollages  Audio  Video  Gastenboek  Contact

TEEIFUKA IS NOODKREET

Site over de Marrons uit het binnenland van Suriname  en ontwikkelingsprojecten van Stichting Teeifuka in het boven Suriname gebied


Startpagina

DE MARRONS

Bosnegers of marrons heten de tot stammen verenigde, in de binnenlanden van Suriname gevestigde nakomelingen van gevluchte Surinaamse plantageslaven. Men onderscheidt de volgende stammen: 1. Aucaners of Djoeka's, aan Tapanahony, Cottica en Boven-Commewijne en Sarakreek; 2. Saramaccaners aan de Boven-Suriname; 3. Matoeari, aan de BovenSaramacca; 4. Paramaccaners, aan de Marowijne boven de Armina-stroomversnellingen; 5. Boni, in het Lawagebied; 6. Kwinti, aan de Beneden Saramacca.
 

GESCHIEDENIS. Reeds in de tijd dat Willoughby's kolonisten de eerste plantages stichtten, vluchtte een deel van de uit WestAfrika ingevoerde werkkrachten hetzij direct na aankomst in Suriname, hetzij vrij snel daarna het bos in. Van enkele honderden vóór de komst der Nederlanders steeg hun aantal snel na de overname. In 1690 had een slavenopstand plaats op een plantage achter de Jodensavanne. Het aantal ontvluchtingen vermeerderde onder meer, toen de plantagehouders bij de inval van Cassard in 1712 aan hun slaven bevel gaven zich in de bossen te verbergen. De plantagehouders stonden machteloos tegen deze ontvluchtingen. Geleidelijk werden de maatregelen tegen de 'weglopers' genoemde marrons verscherpt. In 1685 bedroeg de premie op het vangen van een marron nog slechts f 5,-, hetgeen in 1687 al werd verhoogd tot '300 pond suiker', terwijl in 1698 de premie op fl 50, werd gebracht. Na 1717 stond het ieder vrij tegen de marrons tochten te ondernemen. In 1721 werd op het weglopen de doodstraf gesteld; in 1730 werden twee gevangen marrons met een klein vuur levend tot as verbrand. Niettemin bleef het aantal marrons toenemen en daarmee ook de onrust in de plantagekolonie: de marrons lieten niet alleen de plantages zonder werkkracht achter, maar vermoordden ook vaak hun eigenaars, staken de huizen in brand en namen mee wat zij bruikbaar achtten. Bovendien vielen zij, eenmaal gegroepeerd in het binnenland, geregeld plantages aan die zij plunderden wegens een chronisch gebrek aan vrouwen, werktuigen, wapens of uit wraakzucht voor de vaak onmenselijke behandeling door de slaveneigenaars. Bij deze aanvallen trokken de aanwezige slaven vaak met de marrons mee.
In 1730 bepaalden de directeuren van de Societeit dat alleen soldaten voor de bostochten tegen de marrons mochten worden gebezigd. Toch werden nog altijd veel slaven als lastdragers meegenomen, die op deze wijze de sluippaden naar de marrons leerden kennen. Daar de kosten van een bostocht ongeveer fl 100000, beliepen, werd op den duur de koloniale kas door die tochten uitgeput, terwijl er nauwelijks meer resultaat werd bereikt dan dat de marrons wat verder de bossen in werden gejaagd om terug te keren wanneer zij hun kans schoon zagen. In 1738, toen het aantal slaven 57000 bedroeg, werd het aantal marrons op 6000 geschat; dit aantal steeg tot 7000 in 1786 en in 1863 waren het er 8000 (schattingen die waarschijnlijk aan de lage kant zijn). Deze marrons, die door hun aanvallen op de plantages en door de geregelde achtervolging door hun gedupeerde eigenaars tot ver in de 18de eeuw in een staat van voortdurende onrust leefden, wisten niettemin stabiele gemeenschappen op te bouwen, met een geordende structuur, waarvan de trekken ontleend werden aan hun Westafrikaanse stamgebieden. Door hun isolement in de moeilijk te bereiken binnenlanden gedurende langer dan een eeuw vormden zij een reservaat van oude Afrikaanse cultuur, zoals die bijna nergens meer wordt aangetroffen. Zij groepeerden zich in een aantal hierboven genoemde stammen (Djoeka's, Saramaccaners en Matoeari) aan de bovenloop van drie grote rivieren: de Marowijne, de Suriname en de Saramacca. Deze groepen sloten in de jaren zestig van de 18de eeuw vrede met de blanken en verkregen aldus hun zelfstandigheid.

In verband met hun kwetsbare positie hadden de blanken het meeste behoefte aan het sluiten van vrede. In 1748-1749 deed gouverneur Mauricius een poging vrede te sluiten met de Saramaccaners. Deze poging mislukte, maar in 1759 werd een andere belangrijke groep benaderd en nu kwam het eerste verdrag in 1760 tot stand. Deze groep, de Djoeka's, wonend aan de Djoekakreek, werden 'Bevreedigde Bosnegers van agter Auka' genoemd, naar een plantage van waaruit de vredestochten naar de Djoekakreek werden ondernomen. In 1762 en 1767 werden verdragen gesloten met resp. de Saramaccaners en de Matoeari. Een nieuwe groep marrons, de Boni (zo genoemd naar een van hun aanvoerders, Boni), vormde zich echter, die de kolonie tussen 1765 en 1793 tot een voortdurende staat van oorlog dwong. Deze groep werd ten slotte over de grensrivier met Frans-Guyana, de Marowijne, gedwongen. De plantages leden door deze bijna een eeuw durende guerrilla grote schade en mede door financiële tegenslagen als gevolg van economische regressie in Nederland en de rest van Europa ging het aantal in het eind van de 18de eeuw hard achteruit .

Nadat de Boni in 1793 een zware slag was toegebracht, waarbij de Djoeka's een belangrijke rol speelden, deden zich weliswaar nu en dan op plantages nog moeilijkheden voor, wanneer negers rebelleerden of wegliepen, maar geleidelijk aan trad een periode van rust in. Deze werd in 1805 verstoord door een opstand van het Korps Zwarte Jagers, waarbij de muitende soldaten zich voegden bij de Boni en zij, naar later bleek, ook steun kregen van de Djoeka's in de vorm van onderdak en kostgronden.

In 1809 werd een nieuw verdrag gesloten met de Djoeka's waarbij het vredesverdrag van 1760 werd hernieuwd en aangevuld. Dit werd nodig geacht in verband met de hierboven genoemde gebeurtenissen. Na 1809 kenmerkte de 19de eeuw zich door een geleidelijk toenemend vreedzaam contact tussen de Bosnegers en het bestuur. In 1835 werden nieuwe overeenkomsten met de Saramaccaners en in 1837 met de Djoeka's aangegaan. In 1838 kwam een nieuw vredestraktaat met de Matoeari tot stand. In 1856 werden voor alle Bosnegers de beperkende bepalingen ten aanzien van hun bewegingsvrijheid naar de kust en in Paramaribo opgeheven. In 1857 werd voor het eerst aan het groot-opperhoofd van de Djoeka's een klein jaargeld toegekend en in de jaren daarna ook aan de vertegenwoordigers van de andere stammen. Tijdens de ontwikkeling van de goud- en balataindustrie namen de contacten met de Bosnegers toe doordat zij zich bezighielden met het vervoer van de gouddelvers en balatawerkers over de stroomversnellingen en watervallen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de contacten met de Bosnegers geintensiveerd door de aangelegde landingstrips voor kleine vliegtuigen. Ook de buitenboordmotor deed zijn intrede en versnelde het vervoer. Eveneens na de oorlog trokken veel meer Bosnegers naar Paramaribo en omstreken om daar als arbeiders geld te verdienen, maar daarbij verloren zij tot op heden bijna nooit het contact met hun familie; ook nu nog keren zij geregeld terug naar het bosland en bemoeien zij zich in Paramaribo vnl. met hun stamgenoten. Gedurende het laatste decennium begon zich een politieke bewustwording onder de Bosnegers te manifesteren, een proces dat mede in gang werd gezet door verkiezingstournees van Surinaamse politici.

GODSDIENST.
De Bosnegers leefden, zoals hierboven is beschreven, al sedert de 17de eeuw in de binnenlanden van Suriname in georganiseerde groepen die hun cultuurpatroon ontleenden aan dat van hun Afrikaanse stamland. Dat patroon bestond uit een samensmelting van verschillende elementen, daar elk van de groepen was samengesteld uit slaven, of kinderen van slaven, afkomstig uit verschillende delen van West-Afrika. Hoewel historici vrij precies kunnen nagaan uit welke stammen in West-Afrika de naar Suriname gevoerde slaven afkomstig waren, weet men niet uit welke stamleden de verschillende Bosnegergroepen zijn opgebouwd. Wel is een aantal belangrijkste elementen uit hun cultuurpatroon terug te voeren tot een gebied dat linguïstisch tot de Kwa-talen behoort: de Akan (in het tegenwoordige Ghana), de Ewe (Togo), Fon (Dahomey), Yoroeba (West-Nigeria) en lbo (Niger delta). De stammen die tot de Akangroep behoren, hebben een matrilineaire structuur, de Fon, Yoroeba en lbo een patrilineaire. De invloed van het Kongo (Zaïre, Angola) op met name het Saramaccaans is overtuigend aangetoond.
De Surinaamse Bosnegers zelf hebben geen geschreven geschiedenis: hun historie wordt mondeling doorgegeven. Hoewel zij zich zeer bewust zijn van hun Afrikaanse afkomst, begint die orale overlevering bij de tijd van hun strijd om de vrijheid, met andere woorden bij de 'weglooptijd' (lowe-ten). Zij weten van sommige gebruiken, rituelen, goden, dat die van Afrikaanse herkomst zijn, maar niet van welk land of welke stam. Het besef dat Afrika het land is van hun voor ouders, is echter levend, zoals o.m. bleek bij een in 1974 door granmans gemaakte reis naar de gebieden van herkomst van hun voorouders in Afrika. In de religie kan men dezelfde categorieën onderscheiden die bij de Westafrikaanse stammen een rol spelen, t.w.: een Hoogste Wezen, pantheons van goden, speciale goden, voorouderverering, diverse bos en watergoden, orakels, magisch werkzame voorwerpen en wezens, priesterdom, hekserij. Het cultuurpatroon van de Bosnegers zou men in het kort aldus kunnen weergeven: alles wat met het dagelijkse, menselijke bestaan te maken heeft: geboorte, ziekte, dood, rijkdom en armoede, succes en mislukking, goede oogst en misoogst, staat in nauw verband met de bovennatuurlijke wereld. Tot deze wereld kan men zich wenden om advies. Dat doet men via een priester die zich tot diegene van de bovennatuurlijke wezens wendt die het beste uitsluitsel kan geven. Men heeft te maken met een hiërarchische structuur, waarin het opperwezen, Nana Kediampon, zijn macht heeft gedelegeerd aan een drietal pantheons, die de elementen aarde, lucht en water regeren. Elk pantheon heeft een hoofdgod en een aantal nevengoden, elk met een specifieke functie. Naast die godenpantheons speelt een tweede vorm van bovennatuurlijk bestaan een belangrijke rol: die van de voorouders. Dezen kunnen via een priester voor de mens intermediëren bij de goden, maar spelen ook een onafhankelijke rol.

Ten slotte zijn er nog vele bovennatuurlijke machten die gewoonlijk hun 'woonplaats' hebben in bomen, rivieren, rotsen of bepaalde dieren en die ook hun invloed op het lot der mensen kunnen doen gelden. Geluk of ongeluk hangt samen met het kennen van de wensen van deze onzichtbare en onberekenbare machten. De priester kan door raadplegen van die machten advies geven over de te brengen offers, de te volgen leefregels, hij kan uitleggen waar men gefaald heeft, waardoor de gramschap van een der genoemde machten is opgewekt en hoe men dat weer goed kan maken. Dat raadplegen gebeurt gewoonlijk door het 'oproepen' van de betrokken macht, dat wil zeggen de priester - of zijn medium - raakt met behulp van trommelmuziek en zang in trance, de god neemt bezit van hem en 'spreekt' via hem. De priester interpreteert zijn woorden en geeft het door aan de vragensteller. Een andere vorm is het raadplegen van een 'orakel'. Dat kan op verschillende wijzen geschieden. Eén ervan gaat als volgt: op een lange plank ligt een uit magische voorwerpen bestaande bundel, waarin de essentie van de orakelgod vertegenwoordigd is. De plank wordt door twee mannen, de 'dragers', bij de uiteinden op het hoofd genomen. Nu begint de priester de vragen te stellen waar zijn 'patiënt' het antwoord op wenst. Die antwoorden - in de vorm van ja of nee knikken, kwaad weglopen of goedkeurend rondstappen - worden door het orakel doorgegeven en uitgevoerd door de dragers. Deze vorm van ondervragen gebeurt ook bij de dood. Daarbij wordt de overledene op een plank rondgedragen en de priester ondervraagt hem naar de oorzaak van zijn dood. Die kan zeer vaak van bovennatuurlijke of semi-bovennatuurlijke aard zijn. Een voorbeeld van de eerste vorm: men heeft gezondigd tegen goddelijke wetten en is daarvoor met de dood gestraft; een voorbeeld van de tweede vorm: een heks heeft door 'zwarte magie' uit te oefenen de dood veroorzaakt.

Zoals hierboven reeds bleek spelen de voorouders een rol in het bestaan van de Bosnegers als intermediair tussen mens en goden. Zij worden geacht zich in de omgeving van de goden te bevinden en de belangrijke vooroudergeesten beraadslagen met hen over het lot der mensen. Elke clan en elk onderdeel van de clan (zie hieronder: Verwantschapsvormen) heeft een altaar of gebedspaal waarbij geofferd en gebeden wordt tot de eigen voorouders. Evenals de goden kan een voorouder 'bezit nemen' van een mens en via het medium waarschuwen voor gevaren en remedies voor ziekten aanraden. Hij kan zich ook tekort gedaan of beledigd voelen en veranderen in een wraakgeest, die zonder aanzien des persoons ongeluk en dood kan veroorzaken. Vele gevallen van ongeluk als ziekte, dood en misoogst worden aan hekserij toegeschreven. Men kan iemand van hekserij verdenken, maar niet beschuldigen; pas na de dood, wanneer het lijk als boven beschreven naar de oorzaak van zijn overlijden wordt gevraagd, kan blijken dat de overledene een heks was. Slechts medicijnmannen met sterke bovennatuurlijke afweermiddelen kunnen de mens tegen hekserij beschermen.

Een beter middel is om zich tot de orakelgod der Djoeka's te wenden en zich door een 'eed' van zijn bescherming te verzekeren. Behalve door de Djoeka's wordt dit middel wel door andere Bosnegers te baat genomen. Deze orakelgod is sinds 1972 door een nieuwe profeet vooralsnog op non-actief gesteld.

VERWANTSCHAPSVORMEN.
De verschillende Bosnegergroepen hebben alle een eigen matrilineaire structuur, die niettemin in grote trekken overeenkomt. Dit ondanks het feit dat zij oorspronkelijk zijn samengesteld uit zowel matrilineaire als patrilineaire groepen. De reden waarom het matrilineaire patroon (zij het met enkele partrilineaire trekken, maar dat verschijnsel is niet ongewoon) door allen is aanvaard, is nog niet bevredigend verklaard in de desbetreffende literatuur. Elke stam is onderverdeeld in een aantal matrilineaire, veelal exogame clans, 'lo' genaamd. De lo is samengesteld uit een aantal matrilineages, de 'bere', waarvan de omvang bepaald wordt door het aantal familieleden dat zich tot een zelfde stammoeder acht te behoren (gewoonlijk een paar generaties terug). De leden van een lo bewonen in principe een zelfde dorp. Het grootopperhoofd wordt uit een van de lo's, meestal dezelfde, gekozen. De lo's hebben veder elk een eigen hoofdkapitein, per dorp. Op elk dorp zijn verder nog kapiteins en onderkapiteins of basja's. Elke bere heeft een aantal ouderen, die beslissingen kunnen nemen en zitting kunnen nemen in de vergaderingen, gehouden met de hoofden. De verkiezing van opvolgers verloopt gewoonlijk volgens de matrilineaire lijn; men kan bijv. de zoon van moeders broeder kiezen. Het bestuur wordt voor zover het dagelijkse zaken betreft per dorp geregeld, familiezaken binnen of tussen de betrokken families. De band binnen de bere is sterk ontwikkeld en uit zich in het aanvaarden van verantwoordelijkheid voor alles wat zich daar voordoet en in saamhorigheid tegenover de buitenstaanders. De bere boet voor of profiteert van daden van zijn leden en zal meebetalen aan boetes, verplichtingen en offerandes, opgelegd aan een van zijn leden.
De man heeft gewoonlijk meer dan één vrouw; vaak wonen dezen in verschillende dorpen aan de rivier (de verkeersader bij uitstek) en bij hun eigen familie van moederskant. Een man kan zich zoveel vrouwen permitteren als hij kan onderhouden: dat houdt in dat hij elk van haar van een hut, een boot, huishoudelijke artikelen en op geregelde tijden van een nieuw ogengehakt stuk oerwoud moet kunnen voorzien. Het laatste om er het voedsel op te verbouwen en te oogsten, waarvoor zij zorgt, evenals voor het koken voor man en kinderen.

BESTUUR, RECHTSPRAAK.
Aan het hoofd van een Bosnegerstam staat het grootopperhoofd, de Granman, bij voorkeur steeds uit dezelfde 'lo' gekozen. Hij wordt bijgestaan door een aantal hoofdkapiteins, ieder hoofd van een lo, door kapiteins, dorpshoofden met onder zich een aantal basja's als assistenten en een aantal notabelen (oudere mannen, hoofden van matrilineages). Zodra religieuze kwesties een rol spelen in bestuurszaken - en dit is veelal het geval - treden de priesters mede op als bestuurders. De Granman wordt gekozen uit de lo van zijn voorgangers en uit diens matrilineage. Dit geldt ook voor de kapiteins, zij het dat de keuze beperkter is: vaak is het een broer of moeders-broer. De functie van Granman is soms gecombineerd met die van opperpriester. In ieder geval wordt een eventuele opvolger opgeleid in de kennis van zowel bestuurlijke als religieuze zaken.
De Granman wordt gekozen en geïnstalleerd door zijn stam. Het Surinaamse gouvernement bekrachtigt de benoeming officieel en kent hem een salaris toe. Andere emolumenten zijn: een huis op zijn residentie en een in de stad, een buitenboordmotor voor het vervoer op de rivier, ambtskleding. Van de benoeming van kapiteins en andere bestuurders wordt het gouvernement op de hoogte gesteld. Ook zij krijgen een salaris. Voor het uitoefenen van de bestuurstaak komen de notabelen in vergadering (kroetoe) bijeen. Het is afhankelijk van aard en omvang der te behandelen zaken of men 'en famille' binnen de lo, per dorp, per aantal dorpen of op de residentie van de Granman bijeenkomt. Bij moeilijke zaken kan men steeds in hoger beroep gaan. Slechts voor ernstige misdrijven (moord, doodslag) wordt de regering in Paramaribo ingeschakeld.

CULTUREEL LEVEN, WOONCULTUUR. De Bosnegerhutten zijn klein en laag. Terwijl de Indiaan steeds een zandbodem kiest, stelt de Bosneger zich ook met klei of leemgrond tevreden als plaats om zijn woning op te bouwen. Het geraamte van de hutten bestaat uit ruw bekapte rondhouten, die met palmbladeren of koemboeloof worden gedekt. Het dak reikt aan twee zijden tot de grond; de opengebleven driehoekige 'gevels' zijn met palissaden of cederhouten planken beslagen, met reten ertussen om licht en lucht door te laten of met gevlochten palmbladeren afgesloten. In een van beide gevels is de rechthoekige, zeer lage deur aangebracht; een gedeelte van de hut bevat soms een soort van lage zolder van naast elkaar gelegen palissaden. Enkele hutten worden op hoge palen gebouwd en zijn voorzien van een vloer. Meestal is het in de hutten zeer donker en als er een vuur wordt aangehouden, zwart van de rook. Aan de deurzijde wordt vaak, met een paar posten, gedekt met bladeren, een afdak gebouwd waaronder dan gekookt wordt en waar het keukengerei wordt opgeborgen. In de eigenlijke hut vindt men, behalve soms met koperen spijkertjes versierde en kunstig besneden bankjes, geen meubels, wel soms een van reliëf snijwerk voorzien of à jour bewerkt houten tafeltje.

Kledingstukken vinden een plaats op de dwarslatten, die men zolder zou kunnen noemen. In een hoek hangen de hangmatten met katoenen gordijnen tegen de muskieten maar men slaapt ook op ruwe britsen van palissaden. De bodem en de omgeving van de hut worden steeds met een bezem schoon gehouden. De maaltijden, waarbij de mannen, op de lage bankjes in een kring gezeten, eerst afzonderlijk eten, daarna de vrouwen, worden in de open lucht, onder het afdak of in de hut gehouden; vorken worden niet gebruikt, wel kalebaslepels of de vingers.

KUNSTNIJVERHEID. Behalve met het maken van korjalen - een arbeid die met zijn beroep van vrachtvaarder samenhangt - houdt de Bosneger zich ook bezig met een soort van huisvlijt, waarbij het houtsnijwerk een belangrijke plaats inneemt. De kleine stoelen, bankjes en tafeltjes werden hierboven al genoemd; andere voorwerpen zijn: grote houten kammen, wasgoedkloppers, houten kandelaars, wakatiki's (wandelstokken en heilige staven), houten haarspelden en nabootsingen van dieren. Handvatten van pagaaien (pari) worden fraai uitgesneden. Deuren en planken van de hutten zijn ook wel van ingesneden figuren, slangen, slangekoppen, vogels, menselijke figuren, lichaamsdelen voorzien. Ook de mata (houten vijzel) wordt versierd.

Het is niet onmogelijk dat het houtsnijwerk kan worden opgevat als een soort beeldschrift dat een aantal symbolen en tekens omvat en dat vermoedelijk in de slaventijd is ontstaan als een door de slaven gebruikt geheimschrift om met elkaar te kunnen communiceren. Veel snijwerk heeft een symbolische associatie met het seksuele leven. Dit seksuele symbolisme heeft overigens niet alleen betrekking op de vruchtbaarheid van de vrouw, maar ook op de velden en het oerwoud. Hoewel iedere maker voor zich zelf de ornamenten ontwerpt, vertonen deze wel sterk hetzelfde stamkenmerk. Vaak worden mensen en dieren uit de naaste omgeving tot voorbeeld genomen; met planten is dat zelden het geval.

Een na de Tweede Wereldoorlog opgerichte Bosnegerassociatie stelt zich ten doel de economische belangen van de Bosnegers te behartigen, o.m. door verkoop van houtsnijwerk. Het aardewerk wordt vervaardigd uit witte klei, vermengd met houtskool en is niet of slechts met enkele strepen versierd. Door branden wordt een glanzend zwarte kleur verkregen.

KLEDING. De Bosnegerkleding bestaat voor de mannen uit een kamisa, een smal, in de winkel gekocht stuk katoen dat tussen de benen doorgehaald wordt en waarvan voor- en achtereinde over een als gordel dienende katoendraad afhangen. Ook slaat hij wel een door de vrouw met ornamenten geborduurde doek om het lichaam, waarbij een schouder vrij blijft. Het haar wordt op verschillende wijzen, vaak met grote zorg, in allerlei figuren gevlochten. Verder wordt tatoeëring toegepast, waarbij met een scherp mes figuren worden ingesneden die daarna met houtskool en Arum-sap worden ingewreven. Over de diepere betekenis van de haarvlechtfiguren en de tatoeage is weinig met zekerheid bekend.

MUZIEK EN DANS. De Bosnegers dansen zowel voor genoegen als uit godsdienstig oogpunt. Vaak gaat een dans van de eerste soort in een van de tweede over. De eenvoudigste dans is de soesa. Bij andere dansen vertolken bijv. man en vrouw een liefdesspel; de omringende toeschouwers vormen het koor en zingen toepasselijke teksten; de maat wordt daarbij aangegeven op trommen en kwakwabangi . De dansfiguren hebben verschillende namen, zoals Baboen, die ontleend schijnt te zijn aan de sprongen van de brulaap. Hierbij denken de dansenden dat de geest van de brulaap vaardig over hen wordt; de dans gaat dan over in een bezweringsdans. Het zingen gebeurt meestal in mineur-toonaard. Mannen en vrouwen zingen unisono; slechts zelden hoort men als slotnoten een terts. Er zijn twee muziekinstrumenten, die, voor zover bekend, niet bij de dans worden gebruikt:
1. de gwadoo, een viertal met snaren bespannen veerkrachtige stokjes, gestoken door een halve kalebas, die tot klankbodem dient; 2. de benta, vier platte, lange stukken hout op een houten klankbodem bevestigd en op een bepaalde toon gestemd door het onderschuiven van blokjes hout. De trom wordt geacht met een geest te zijn bezield en aldus dansenden en strijders bij bootwedstrijden te kunnen aanvuren. Door het doen van bepaalde slagen op de trom worden boodschappen van kamp tot kamp overgebracht, een soort van 'trommentaal', die in Afrika bij verschillende negerstammen in zwang is. Het is mogelijk door tromslagen scheldwoorden van het ene naar het andere kamp over te brengen, een groot genoegen dat tot vermakelijke buurgevechten aanleiding geeft. Men onderscheidt twee soorten trommen, de agida en de apinti.

TAAL EN ONDERWIJS.
Er zijn veel Bosnegers analfabeet. In het bosland verzorgen missie en zending op een aantal dorpen het onderwijs op lagere-schoolniveau. In 1963 waren er 35 scholen. De (summiere) kennis die zij daar opdoen gaat, als die niet onderhouden wordt, verloren. Bij de Djoeka's wordt sedert een paar jaar een proef genomen met een gouvernements lagere school. In Paramaribo gaan enkele tientallen Bosnegers naar school. Van hen zetten een paar het onderwijs na de lagere school voort. Een enkeling brengt het tot universitair niveau, hetzij in Paramaribo, hetzij in Nederland.
BESTAANSVORMEN.
De Bosneger voorzag en voorziet nog steeds in zijn dagelijkse behoeften door het uitoefenen van landbouw, jacht en visvangst. Aanvulling op wat hij hierbij weet te vergaren vindt hij in de - zeer schaarse - door Creolen, Chinezen of Bosnegers gedreven winkeltjes of koopt hij in Paramaribo. De aanvulling met rijst, meel, beschuit, zout, suiker, sterke drank en conservenblikjes was noodzakelijk niet alleen omdat de Bosnegers deze waren zelf niet in voorraad hebben, maar omdat bij vrij geregeld voorkomende misoogst een reëel tekort heerste.
Tegenwoordig is daarin gemakkelijker te voorzien omdat door een toenemend gebruik van buitenboordmotoren en de aanleg van een paar kleine vliegvelden de kuststreek beter te bereiken is. Landbouw beoefent de Bosneger op van oerwoud ontdane akkers. Het openkappen geschiedt door de mannen. Zij hakken de bomen om in de 'grote droge tijd', in oktober en november. Na het hout een paar weken te hebben laten drogen wordt het verbrand. Grote stammen blijven liggen, takken worden opgeruimd. De grond wordt verder niet bewerkt en in de 'kleine regentijd' (december, januari) door de vrouwen beplant. De gewassen staan door elkaar; het hoofdgewas is bittere cassave, het belangrijkste tweede gewas (droogland) rijst; verder bananen en bacoven, knolgewassen, mais, pinda, suikerriet, tabak, peper, kalebas. Vruchtbomen staan meestal bij de dorpen. Het grondje, met één- of tweejarige gewassen beplant, levert het hele jaar, maar moet na twee à drie jaar opgegeven worden, omdat het door deze vorm van roofbouw niet meer genoeg oplevert.

 

Terug naar boven