Contact:

    Bazuinpad 7,

    3845 DX HARDERWIJK

    T: 0341423127

    M: 0651111299

    E: stichting@teeifuka.nl

    Giro: 9697935

    KVK: 08120461

    Opgericht: 09-12-2003


   Online Donatie


    Actualiteiten

    Organisatie

    Projecten

    Stichtingsplan 2010

    De Marrons

    De Indianen

    Het Binnenland

    Suriname algemeen

    Nieuwsberichten

    Columns en Analyses

    Fotocollages

    Video beelden

    Audio berichten

    Promotie

    Bestuur van Teeifuka

    Teeifuka Algemeen

55     Surinaams eten

    Toerisme en Reizen

    De jaren tachtig

    Projectverslagen

    Stichtingsdocumenten

    Teeifuka in de Media

    Kaart van Suriname


    SPREUKEN

    GASTENBOEK

    TEEIFUKALINKS

Organisatie  Marrons  Indianen  Stichtingsplan  Actueel  Nieuws  Promotie  Columns  Fotocollages  Audio  Video  Gastenboek  Contact

TEEIFUKA IS NOODKREET

Site over de Marrons uit het binnenland van Suriname  en ontwikkelingsprojecten van Stichting Teeifuka in het boven Suriname gebied


Startpagina

HET LAND SURINAME

Suriname is een onafhankelijke republiek aan de noordkust van Zuid-Amerika , 163820 km2. Hoofdstad Paramaribo. Suriname grenst in het noorden aan de Atlantische Oceaan, in het zuiden aan Brazilië, in het oosten aan Frans Guyana ( grensrivier is de Marowijne en wel de midden-as van de rivier ) en in het westen aan Guyana ( grensrivier is de Corantijn en wel de linker oever, de hele Corantijrivier is dus Surinaams grondgebied en verder de New river of Nieuwe rivier - zie kaart - zie ook westgrens-Guyana - ).
De geomorfologie van Suriname vertoont zowel landschappelijk als geologisch een duidelijke driedeling, van zuid naar noord: het bergland (grootste hoogte: Julianatop, 1280 rn), de savanne en de kustvlakte. De afwatering geschiedt door een aantal parallellopende, zuid-noord stromende rivieren. De grootste hiervan zijn de Corantijn en de Marowijne. De andere grote rivieren zijn de Coppename, de Saramacca en de Suriname. Kleinere rivieren zijn o.a. de Nickerie, de Commewijne en de Cottica.

Suriname heeft een typisch tropisch regenwoudklimaat. De droogste maanden zijn september en oktober. Er is een dubbele regentijd: een kleine met een maximum in januari en een grote van april tot half augustus. Gemiddeld 2200 mm regen per jaar. De gemiddelde temperatuur is 27°C .
BEVOLKING.
De bevolking vertoont een grote etnische verscheidenheid ten gevolge van de gevoerde koloniale arbeidspolitiek tot instandhouding van de plantagelandbouw. Deze gevarieerdheid heeft geleid tot wat wel wordt genoemd een plurale of gesegmenteerde samenleving waarbinnen diverse etnische groeperingen relatief zelfstandig functioneren, van culturele assimilatie is nog weinig sprake . In de koloniale en post-koloniale periode (d.i. tot eind 1975) is de etnisch-culturele scheiding niet door een effectief nationaal cultuurbeleid tegemoetgetreden: de hiervoor benodigde middelen bleven goeddeels achterwege, onder meer door de noodzaak bestedingen te doen in de sociaal-economische sfeer.
Tot dusver heeft zich het streven naar eenheid in verscheidenheid nog slechts in hoofdzaak langs formele weg gemanifesteerd, o.a. door het instellen van officiële feestdagen, waarbij christelijke, hindoeïstische en islamitische feestdagen een plaats kregen naast nationale gedenkdagen als emancipatiedag (1 juli) en onafhankelijkheidsdag (25 nov.). In nationalistische stromingen en binnen de vakbeweging zijn sporen van inter-etnische groepsvorming aanwijsbaar.

De Creolen zijn oververtegenwoordigd in de stad (ca. 75% woont in Paramaribo). velen hebben van oudsher een administratieve werkkring of vervullen de meer technische beroepen. Een gering aantal is in de landbouw werkzaam. Hun sociaal-politieke dominantie is in de loop der jaren aangetast door de relatief sterke demografische en sociaal-economische groei van de Hindostanen, die in de stedelijke administratie (35-40% woont in Paramaribo) een plaats naast de Creolen opeisen en een belangrijk deel van de handel in handen hebben. Daarnaast vormen zij de meerderheid onder de kleinlandbouwers. Evenals de Hindostanen zijn de Javanen niet meer uitsluitend landbouwers. Er is sprake van een duidelijk proces van sociaal-economische stijging. De Chinezen hebben in aanvulling op de Hindostanen een deel van de handel in handen. Zij bezitten een hoog aspiratieniveau voor hun kinderen. Europeanen (voornamelijk Nederlanders) en andere etnische groepen, onder wie Libanezen, zijn in aantal gering, maar hun sociale en economische invloed is niet onbelangrijk.
De Bosnegers wonen als afstammelingen van van de plantages gevluchte slaven merendeels in het binnenland. De openlegging daarvan heeft hen dichter bij de Surinaamse kustsamenleving gebracht; hetzelfde geldt - in beperktere mate - ook voor de Indianen.
Godsdienst. De godsdienstige verscheidenheid is in hoge mate congruent met de etnische. De Creolen behoren voornamelijk tot de christelijke kerken, te weten:
1. voor circa 40% tot de Rooms-Katholieke Kerk (het in 1958 opgerichte en heel Suriname omvattende bisdom Paramaribo wordt sedert 1970 bestuurd door een Surinaamse bisschop). 2. eveneens voor 40% tot de Evangelische Broedergemeente ( E.B.G.) 3. voor 15% tot de Hervormde Gemeente en de Evangelisch-Lutherse Gemeente (beide laatstgenoemde zijn vooral de kerken van de hogere sociale lagen).
De laatste tijd nemen door de pinksterbeweging geïnspireerde stromingen vooralonder de minder bedeelde Creolen in invloed toe. Tot de religieuze uitingen van de Creolen valt ook de beoefening van de winti-cultus te rekenen. De joodse gemeenten zijn de laatste decennia qua invloed en aantal in betekenis verminderd. De Hindostanen hangen voor bijna 80% het hindoeïsme aan (twee stromingen: Sanatan Dharm en Arya Samaj). Circa 15% van de Hindostanen is moslim , 5% is christen. De Javanen zijn in hoofdzaak moslim, ca. 7% is christen. De Indianen zijn grotendeels door missie en zending met het christendom in aanraking gebracht, voor een kleiner deel belijden zij hun traditionele godsdienst. De Bosnegers zijn (voor wat betreft de Saramaccaners) eensdeels gekerstend, anderdeels beoefenen zij een traditionele godsdienst van Afrikaanse herkomst.
Onderwijs. Suriname heeft grote onderwijsproblemen, samenhangend met de etnisch-culturele verscheidenheid en vragen rond culturele identiteit. Ook de personeelsvoorziening is door een sterke trek van onderwijzers naar Nederland problematisch geworden. Bij de opzet en uitbouw van het onderwijs hebben zending en missie een belangrijke rol gespeeld. Een aanzienlijk deel van de scholen is in handen van de EBG en de Rooms-Katholieke Kerk.
Sinds 1968 bezit Suriname een universiteit. Onderwijs is gratis en sedert 1876 verplicht voor kinderen tussen zes en twaalf jaar.

STAAT, ECONOMIE, GESCHIEDENIS.
Op 25 nov. 1975 werd Suriname een onafhankelijke republiek met een parlementaire democratie, waarbij het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden kwam te vervallen, evenals de Staatsregeling van 1955, die werd vervangen door de Grondwet, op de naleving waarvan o.m. de door het parlement gekozen president toeziet.
Suriname en Nederland onderhouden sedert de onafhankelijkheidsverklaring diplomatieke betrekkingen op ambassadeursniveau. De leden van het parlement worden voor vier jaar gekozen via algemeen kiesrecht. Na de revolutie is het parlement, door de Militaire leiding een tijd lang buiten spel gezet. Het parlement functioneert nu weer en suriname is weer een rechtstaat.

Muntwezen. Munteenheid is de Surinaamse gulden. De koers van Surinaamse gulden was vlak voor de onafhankelijkheid ongeveer: Sf 1 = Nf 1,43. De enorme devaluatie heeft de Surinaamse gulden op een koers doen belanden van: Sf 882 = Nf 1,00. ( Bron Centrale Bank van 21/11/2001). Een dieptepunt werd bereikt in Oktober 2000, toen was de Surinaamse nog maar Sf 1100 = Nf 1,00 waard.
Economie. De economie is vanouds sterk afhankelijk van het buitenland. Tijdens de bloei van de plantages dreef het land op de suikerexport, thans in overwegende mate op de winning van bauxiet door de Suralco en de Billiton. Plannen zijn in uitvoering voor exploitatie van bauxietreserves in West-Suriname . Het werkgelegenheidsaandeel van deze sector is thans (1976) nog niet hoog (ca. 8%) en de werkloosheid nam gedurende de laatste decennia toe, onder meer vanwege de snelle vermeerdering van de beroepsbevolking, waarvan 25% werkzaam is in de landbouw. De veeteelt is niet van groot belang. Bosexploitatie en houtverwerking geven ca. 4% van de beroepsbevolking werk. Visserij is in de jaren zestig van belang geworden. Afgezien van de bauxietverwerking, is de industrie niet van grote betekenis. De op de binnenlandse markt gerichte bedrijven moeten de benodigde grond- en hulpstoffen grotendeels invoeren, waardoor de toegevoegde waarde gering is. De belangrijkste partners op het gebied van de handel zijn: de Verenigde Staten, het Caraïbisch gebied, Nederland en de overige EEG-landen. Goede vooruitzichten zijn er voor de winning van aardolie en goud. De aardolie reserves van Suriname bevinden zich voornamelijk in twee grote velden voor de kust van Suriname.

Geschiedenis. Over de prehistorie van Suriname is door deskundigen op het terrein van de archeologie de laatste jaren meer aan het licht gebracht. Het begin van Surinames geschiedenis kan met de reis van de Spanjaard Alonso de Ojeda, die in 1499 de Guiana's ontdekte, globaal worden gesteld rond het jaar 1500. Het gerucht, dat zich hier het goudland El Dorado zou bevinden, deed spoedig daarop ook Engelsen, Nederlanders en Fransen naar dit gebied trekken.
Na de verovering van Suriname op de Engelsen door de Nederlander Abraham Crijnssen (1667) hebben o.m. de 1 ste en 2 de West-Indische Compagnie (WIC) een belangrijke rol gespeeld. De plantagelandbouw die de WIC in de 17de en 18de eeuw produkten leverde, steunde tot 1863 geheel op het systeem van de slavernij.
In een lang slepende guerrilla moest veel strijd worden gevoerd tegen weggelopen slaven (marrons), met als hoogtepunt de Boni-oorlog gedurende het laatste kwart van de 18 de eeuw. Nadat door de Engelsen in 1808 de slavenhandel was verboden, kwam na langdurige strijd binnen en buiten het Nederlandse parlement de emancipatie tot stand, die de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 betekende.
De laatste eeuw van Surinames geschiedenis kenmerkte zich gedurende de eerste helft door immigratie van Aziatische arbeidskrachten (vooral Hindostanen en Javanen) om het gebrek aan werkkrachten, ontstaan na de emancipatie, op te heffen. Eveneens kenmerkend voor dit tijdvak was de assimilatiepolitiek van de Nederlandse regering, erop gericht om de toenmalige kolonie zoveel mogelijk te vernederlandsen door invoering van een rechtsbedeling naar Nederlands model in 1869 en de leerplicht in 1876.
Na de laatste eeuwwisseling begon met betrekking tot de juistheid van de assimilatiepolitiek twijfel te ontstaan, die legislatief voor het eerst tot uiting kwam ten opzichte van het huwelijksrecht voor de Aziatische segmenten in de Surinaamse samenleving tijdens het bewind van gouverneur Kielstra (1933-1944).
Na de Tweede wereldoorlog kwam de gedurende de jaren dertig van deze eeuw ontwaakte politieke bewustwording in een stroomversnelling, die via Interimregeling en Statuut resulteerde in de totstandkoming van de onafhankelijkheid op 25 nov. 1975. Hiermee kwam tevens een eind aan de grootschalige emigratie gedurende de voorafgaande jaren vanuit Suriname naar Nederland. Bij de onafhankelijkheid bereikten beide landen overeenstemming inzake een meerjarenontwikkelingsprogramma voor de uitvoering waarvan Nederland gedurende 10 tot 15 jaar Nf 3,5 miljard ter beschikking zal stellen. Nederland heeft eenzijdig de besteding van dit bedrag gedicteerd. Zo werd ook een groot deel verbrast in de vorm van een west-Suriname project. De aanleg van een spoorlijn waar nooit een trein op gereden heeft, materieel zoals treinstellen, die in feite afgeschreven materiaal van de Nederlandse Spoorwegen waren. Hiervoor werden forse bedragen betaald. Ook hebben Nederlandse Ingenieursbureaus dik verdiend aan de ontwikkelingsgelden. Al met al, zo gul als het beloofd werd, zo goed kon de Nederlandse regering naar zich zelf toerekenen. Ook werd door andere Nederlandse bedrijven dik verdiend. Er kwamen volkswoningbouw projekten, waar huizen gebouwd werden met dakpannen, een nieuw fenomeen in de Surinaamse geschiedenis. Zinkplaten waren een stuk goedkoper, alleen die werden niet in Nederland gemaakt en mochten daarom niet gebruikt worden. In 1982 na de decembermoorden werd dit meerjarenontwikkelingsprogramma stopgezet en het overgebleven geld bevroren. Met mondjesmaat keurt Nederland nog projecten goed, van de resterende gelden.

Terug naar boven